Terug naar de website

door Paul Godefrooij

Sinds het najaar van 2012 werk ik als vrijwilliger bij het Landgoed Linschoten. Bijna iedere donderdag help ik met de beheer- en onderhoudswerkzaamheden in de directe omgeving van het Huis te Linschoten. Toen ik begon realiseerde ik me niet dat ik ging werken in een context die wordt bepaald door ca. 400 jaar geschiedenis. Het landgoed Linschoten laat zich lezen als een landschappelijk archief.

Het Huis
Voor het huis en de bijgebouwen geldt dat de sporen van het verleden zich nog goed laten herkennen, en dat over een lange tijdsperiode. Het huis is in 1637 gebouwd en werd in 1721 ingrijpend veranderd. Als je goed kijkt zie je niet alleen het huis in zijn huidige staat en het huis van bijna 300 jaar geleden, maar ook de contouren van de ridderhofstede waarmee het een kleine eeuw daar weer voor begon. Ieder gebouw, ieder bijgebouw, het hek, de oprijlaan, de waterpartijen, tuinen en landschapselementen hebben allemaal hun verhaal over de bouw of de eerste aanleg, over het gebruik en de veranderingen, over het verval en de vervanging of restauratie.

Om greep te houden op de geschiedenis van het landgoed, heb ik een belangrijk houvast aan de eigendomshistorie, waarin zich drie periodes voordoen.

-           Johan Strick van Linschoten was in 1637 de bouwheer van het huis. Zeven generaties van nakomelingen zijn eigenaar geweest.1 Deze reeks eindigt met een jonge vrouw die vanwege haar huwelijk het landgoed in 1860 verliet.

-           In 1891 is het landgoed op een veiling verworven door een Utrechtse fabrikant, Ribbius Peletier. Hij kocht het als beleggingsobject en als levensinvulling voor zijn zoon die hem niet in de zaak wilde opvolgen. Zijn zoon en zijn kleinzoon voerden tot 1969 het bewind over het landgoed.2

-           Toen de laatste kinderloos overleed ging het landgoed over op de stichting die het tot op heden in stand houdt.

 

De ambitie van de bouwheer
Dat de Utrechtse familie Strick hier neerstreek was onderdeel van een persoonlijke ambitie om als welvarend en vooraanstaand burger aansluiting te vinden bij de aristocratie.3 De familie was in korte tijd rijk geworden door een stapeling van functies. Johan Strick bekleedde meerdere posities  bij het   Kapittel van Oudmunster, waaronder die van deken. Uit hoofde van zijn functie zat hij in de Staten van Utrecht en van daaruit werd hij weer afgevaardigd naar de Staten Generaal.

Om zijn ambitie te verwezenlijken kocht hij grond op de stroomrug van de Linschoten. Hij nam die over van het kapittel, toen dit geld tekort kwam om een grote belastingaanslag te voldoen (tegenwoordig zouden we ons afvragen of dit geen verstrengeling van belangen was). Hij kocht de heerlijke rechten van Linschoten. Deze lokale overheidsrol was toen verhandelbaar en behelsde onder meer het recht van benoeming voor bepaalde publieke functies, belastingheffing en rechtspraak. Aan het Franse hof wist hij een adellijke titel te verwerven en hij liet een huis bouwen in de vorm van een Utrechtse ridderhofstede. Dat laatste hield in dat je een weerbaar huis had met torens, omgeven door water en met een ophaalbrug. Dat was het type huis waar toen de regionale adel in woonde. Een bijkomend voordeel was dat de belasting daarvoor laag was, omdat een ridderhofstede vanouds beschikbaar was voor de krijgshandelingen van de graaf of de bisschop. Dat de opzet van deze Strick (voortaan) van Linschoten is geslaagd mag onder meer blijken uit de huwelijken die er door zijn nageslacht werden gesloten met adellijke families.

De ridderhofstede in het buitenhuis
De hofstede had een voorhuis van één verdieping en een achterhuis van twee. Op het voorste deel stonden twee vrijstaande toren(tje)s. Er bestaan verschillende afbeeldingen van hoe dit er uitzag. De torens zijn nog steeds te herkennen in de vooruitspringende delen aan weerszijden van de voorgevel, maar ze zijn opgegaan in het bouwvolume van het huis. Ging het er in het begin van de zeventiende eeuw nog om dat je een ridderhofstede had, in de achttiende eeuw werd de bouwmode bepaald door rijke stedelingen met hun buitenhuizen. De derde generatie Strick van Linschoten toonde zijn welstand met een grote verbouwing en verfraaiing van het huis. Het voorhuis werd opgetrokken tot dezelfde hoogte als het achterste deel, de ophaalbrug hoefde niet meer en werd een vaste brug en de raampartijen werden groter. In de voorgevel kregen de deur en het raam daarboven een naar voren springende witte omlijsting, een zogeheten pronkrisaliet. De duidelijkste sporen van die verbouwing zelf zijn te zien in de verticale bouwnaden over de beide zijgevels van de eerste verdieping.4
De laatste grote ingreep is van rond 1910 toen het huis in staat van verval verkeerde. Ribbius Peletier (de zoon) koos voor een conserverende restauratie die weinig markante sporen heeft nagelaten. De bouwkundige staat van de binnenkant bleef onveranderd. De familie heeft nooit de bedoeling gehad om in het huis te wonen. Slechts enkele vertrekken werden gebruikt als archief annex werkkamer, als bibliotheek en voor de opslag van spullen.

In stand houden
Het vrijwilligerswerk staat steeds in het teken van het streven om wat in 400 jaar werd opgebouwd op de een of andere manier in stand te houden. Daarbij moet in stand houden worden opgevat als geleide verandering. Niets blijft in stand als je verandering niet toelaat. En juist de sporen van de verandering maken het verleden zichtbaar.
Naar mate ik meer te weten kwam werd duidelijk hoe bijzonder het is dat het landgoed door de eeuwen heen als eenheid is blijven bestaan. Daarmee bedoel ik de combinatie van het huis met bijgebouwen, het parkbos en het agrarisch gebied er omheen. Hoeveel voorbeelden zijn er niet in Nederland waarbij de gronden worden verkocht en de opbrengst verdeeld. Het huis wordt dan vaak ondergebracht in een stichting zonder eigen verdiencapaciteit, waar een nieuwe exploitatie bij verzonnen moet worden. In de loop van de tijd hebben zich meerdere momenten voorgedaan, waarbij het ook voor Landgoed Linschoten een dubbeltje op zijn kant was of het als eenheid in tact zou blijven.

De tuin onder het bos
Het  bos is een parkbos, dat ooit volgens een bewust gekozen opzet is aangelegd. In dat parkbos zie je sporen van de tuin die er daarvoor is geweest. Betrekkelijk moeiteloos kijk je zo terug in de tijd tot het begin van de 18e eeuw.
De mode door de eeuwen kwam behalve in het huis ook tot uiting in de directe omgeving daarvan. In 1637 begon het met een huis in een agrarisch landschap. Het oprichten van een duiventoren was voldoende om je rechten en je positie te onderstrepen. In 1721 wilde men meer en werd een deel van het landschap ingericht vanuit de relatie met het huis. Men ging over tot de bouw van het koetshuis en een bouwhuis (boerderij) links en rechts van het voorplein, het plaatsen van een hek aan het begin van de lange oprijlaan en de aanleg van een formele tuin. Dat was een ontwerp met deeltuinen, rechte lijnen en geometrische vormen. De formele tuin is er niet meer, maar ook niet helemaal verdwenen. In 1834 gaf de toenmalige heer Strick van Linschoten opdracht aan landschapsarchitect J.D. Zocher Jr. om een parkbos aan te leggen volgens de Engelse landschapsstijl die toen in zwang was.5 Kenmerkend voor die stijl zijn meanderende waterpartijen, afwisseling van openheid en geslotenheid, kunstmatige hoogteverschillen en lange zichtlijnen. Je kunt tot vandaag de dag zien dat een aantal lijnen, contouren en elementen uit de formele tuin  zijn gebruikt (en bewaard) in het parkbos.  In mijn werk kom ik die tegen, omdat juist dat bewaren onderhoud vraagt.

Aan de rechter achterzijde van het huis kijk je vanaf de hoek van de vijver een zichtlijn in naar het noordoosten. De bomen langs die lijn worden aan de achterkant vrij gehouden om het karakter van de laan uit de formele tuin te behouden. Als je de buitenkant van de vijver volgt, wordt het verste punt bepaald door een ronde kom, de contour van een voormalige visvijver. Deze lag er al toen Zocher zijn werk deed en was door een lange laan verbonden met nog zo’n vijver aan de zuidkant. Beide vijvers zijn met de toenmalige kasteelgracht vergraven tot een grote waterpartij. Dat levert een mooie, lange zichtlijn op over het spiegelende water, tot voorbij de achterzijde van het huis. De uitgegraven grond werd gebruikt voor het aanbrengen van de gewenste hoogteverschillen.

Als je in de gelegenheid bent om het huis van binnen te bezoeken dan kun je vanuit ieder raam in de achtergevel een andere zichtlijn inkijken. Eén kijkt uit tot ver buiten het landgoed, tot aan de A12. In 2013 is door de aanplant van een strook bos, zo’n anderhalve kilometer verderop, de snelweg aan het zicht onttrokken. De centrale lijn, in het verlengde van de oprijlaan aan de voorzijde, loopt door het parkbos heen en buiten de singel door, over een lange vaart. Dit is het zgn. grand canal, dat eindigt in een ronde kom. Samen heet dit de koekenpan. Ook dit is een element uit de periode van de formele tuin, dat je als modekenmerk van die tijd tegenkomt bij andere landgoederen en buitenplaatsen. Voor het agrarisch landschap moeten we tegenwoordig buiten de singel zijn waarmee het parkbos wordt omsloten.

Dat het beheer van het parkbos onderhevig is aan modes heeft zich ook onder het bewind van de heren Ribbius Peletier en van de huidige stichting doen voelen. Het parkbos heeft waarschijnlijk zijn periode van verwaarlozing gehad rond de voorlaatste eeuwwisseling, maar later hebben ook opvattingen over natuurontwikkeling de overhand gekregen over het concept van de landschapstuin. Omgevallen bomen  werden bewust niet opgeruimd om ze tot humus te laten vergaan en spontane begroeiing werd toegelaten en soms een handje geholpen. De toenmalige rentmeester schreef daarover in 1969: “Deze ontwikkeling, waardoor een parkbos op den duur in een half natuurlijk bos verandert, is voor de botanische wetenschap een interessant gegeven.”6
Een aantal van die omgevallen bomen ligt er nog. Tegenwoordig worden gesneuvelde bomen wel opgeruimd en wordt het doorzichtige karakter van de meeste bosvakken hersteld en bewaard. Ook dat is deel van mijn vrijwilligerswerk. Zo wordt teruggegrepen op het ontwerp van Zocher en krijgen in de loop van het seizoen verschillende bolgewassen en kruiden de kans om zich in hun volle pracht te laten zien. Achtereenvolgens wordt in het voorjaar de aanblik bepaald door tapijten van sneeuwklokjes, speenkruid en daslook en krijgt in het najaar een rijke variëteit van paddenstoelen zijn kans.

De ultieme blik in het verleden vind ik  de berceau: de lange lijn tussen beide vijvers uit de formele tuin, die aan weerskanten beplant werd met beukenbomen. In de opzet van een berceau werden de kronen zo naar elkaar toe geleid dat het mogelijk werd om onder een gesloten bladerdak te wandelen als door een tunnel. Ook dit is een typisch parkelement uit de 18e eeuw dat nog op sommige landgoederen is terug te zien. In één aanblik zie je zowel de lange lijn uit de eerste helft van de 18e eeuw, de naar elkaar toe gebogen vorm van de oorspronkelijke bomen, de ‘doorgeschoten’ hoofdas die de bomen hebben ontwikkeld in een langjarige periode van verwaarlozing, de afgestorven stompen en een paar bomen op hun laatste dagen. Het beeld wordt gecompleteerd met de jonge boompjes van de reconstructie die in het begin van de 21e eeuw is ingezet.

Een ijskelder en een moestuin
Een bijzonder relict uit 1835 is de ijskelder. De grond uit de uitgegraven watergangen is toen onder meer gebruikt om een talud op te werpen waarin die kon worden gebouwd. Hij is uitgevoerd in dubbelwandig metselwerk met een vooringang en een opening aan de bovenzijde om hem te vullen. De vloer van de ijskelder ligt boven het waterpeil van de vijver, zodat de kelder daar vrijelijk op kan afwateren.
Zo’n ijskelder ‘hoorde erbij’ in die tijd. Ze werd gebruikt om ijs dat in de winter werd gewonnen tot in de zomer te bewaren. In de huishouding van landgoederen werd het ijs gebruikt om dranken en zuivel te koelen. Het werk dat daarmee gemoeid was komt mij vandaag de dag als tamelijk omslachtig voor: het zagen of hakken van het ijs, transport naar de kelder, stapelen of storten en weer vrij maken voor gebruik. Of en hoe lang de Linschotense ijskelder dienst heeft gedaan is moeilijk na te gaan. In de zeventiger jaren van de 20e eeuw is onder het bewind van de stichting besloten de ijskelder te restaureren. Ter voorbereiding daarvan heeft de toenmalige voorzitter een historisch onderzoek gedaan naar ijskelders en naar koeltechnieken van vroeger.7 Dat heeft een rijke context opgeleverd over de vormgeving en het gebruik van ijskelders in west Europa. Daarmee is een verantwoord beeld ontstaan van hoe de Linschotense kelder gebruikt of in ieder geval bedoeld is geweest. De studie bevat geen informatie over het feitelijke gebruik van deze kelder, maar het lijkt waarschijnlijk dat die is opgehouden met de beëindiging van de bewoning van Huis te Linschoten in 1860.

De moestuin vormt een interessante bezienswaardigheid op zich, maar is eigenlijk een hedendaags (20e eeuws) element. Hier werd bewust voor gekozen om bij te dragen aan de historische sfeer van het landgoed. Ieder landgoed, of iedere welgestelde huishouding in landelijk gebied had er een. De moestuin(en) uit het verleden hebben op andere locaties op het landgoed gelegen. De huidige ligt  verscholen achter een schutting, naast de boomgaard en parallel aan de oprijlaan. Kenmerkend zijn de combinatie van groenten (geen exoten), snijbloemen en kruiden en de muur met leifruit. Het plezier van het kijken zit voor een belangrijk deel in de verzorgde aanblik en de herkenning van soorten. De moestuin is waarschijnlijk het onderdeel dat het intensiefst wordt beheerd.

Het beleid van vandaag
Al werkend en lezend en pratend heb ik in de afgelopen jaren een uitgesproken beeld gekregen over de wijze waarop de stichting met de historie van het landgoed om wil gaan. Om de landschappelijke en historische kwaliteiten te bewaren wordt een conserverend beheer gevoerd. Daarbij is het agrarische karakter van het landschap leidend en is de pacht de financiële ruggengraat. Dat kan alleen met boeren bedrijven die vitaal zijn en met hun tijd meegaan. De stichting probeert dat te faciliteren met een actief grondbeleid en de architectonische begeleiding van de (ver)nieuwbouw van bedrijfsgebouwen. Het huis en de bijgebouwen worden in stand gehouden, maar niet geëxploiteerd. Het huis en het parkbos worden alleen bij gelegenheden opengesteld voor publiek8. Voor het beheer van het parkbos zijn het ontwerp van Zocher en het behoud van de historische gelaagdheid richtinggevend.
Probeer in die omgeving maar eens te werken zonder met je gedachten af en toe af te dwalen naar het verleden.

Literatuur

Reinink, A.W. en Vermeulen, J.G. (1981). IJskelders; koeltechnieken van weleer. Nieuwkoop: Heuff.

Reinink, Wessel (1994). Landgoed Linschoten. Bussum: Thoth. (‘Het blauwe boek’)

Voo, E.E. van der (1969). Landgoed Linschoten. De Levende Natuur 72-10, 225-234.

Noten

1. Paul Huys Janssen. Portretten voor het Huis te Linschoten. (Het blauwe boek, hoofdstuk 7).

2. Hans Coelingh Bennink en Wessel Reinink. Nieuwe eigenaren; drie generaties Ribbius Peletier 1891-1969. (Het blauwe boek, hoofdstuk 5).

3. Koen Buiskool. De heren van Linschoten; hun bezittingen en hun rechten. (Het blauwe boek, hoofdstuk 3).

4. Ronald Stenvert. Bouwgeschiedenis; het huis en andere opstallen. (Het blauwe boek, hoofdstuk 6).

5. Hanneke Vroon. Het Parkbos en de tuinaanleg. (Het blauwe boek, hoofdstuk 8).

6. Voo, E.E. van der (1969). Landgoed Linschoten. De Levende Natuur 72-10, 225-234.

7. Reinink, A.W. en Vermeulen, J.G. (1981). IJskelders; koeltechnieken van weleer. Nieuwkoop: Heuff.

8. Www.landgoedlinschoten.nl